De Leghorn is ooit het meest gehouden ras ter wereld geweest voor eierproductie, en is nog altijd de voorouder van de hedendaagse legyhybriden. De functie als productieras is de Leghorn allang kwijt, maar verdwenen is hij niet: als liefhebbersras staat hij nog volop overeind.
Herkomst
De Leghorn is waarschijnlijk ontstaan in Italië, waar het ras Livorno heet. Internationaal wordt de Engelse naam Leghorn gebruikt. Doordat fokkers in verschillende landen elk hun eigen ideaalbeeld nastreefden, verschilt het type van land tot land.
Uiterlijk
Het Nederlandse type is gestrekt van vorm: een slank dier, breed op de schouders en smaller toelopend naar de staart. De oogkleur hoort oranjerood te zijn. De staart loopt toe en wordt in een hoek van ongeveer 45 graden gedragen, met de vleugels goed opgetrokken en aangesloten. De oren zijn ovaal en wit, met tamelijk lange kinlellen.
Haan en hen
Bij de haan moet de staartpartij uitbundig aanwezig zijn, met grote, goed ontwikkelde hoofd- en bijsikkels. De kop is breed en de kam staand, met vijf of zes kampunten en bij voorkeur geen insnijdingen in de kamhiel. Ook let je bij de haan op een goed geronde borst.
Bij de hen valt de kam vanaf de tweede tand naar één zijde om, en let je op een goed ontwikkelde legbuik. Zowel hanen als hennen hebben een lange rug met een vloeiende overgang naar de staart.
De Leghorn kriel

Zoals elk groot ras heeft ook de Leghorn een krielvariant. De Leghorn kriel lijkt in alle opzichten op de grote uitvoering: hetzelfde ideaaltype, en net zo’n goed legras.
Nieuwsgierig naar de kleurslagen die ik zelf houd? Bekijk de pagina Kleurslagen.
